Hun gesprekken veranderden merkbaar. Waar ze eerder nog lachten en grapjes maakten, werd het nu serieuzer. Ze spraken korter, meer gefocust op het vinden van een oplossing. Af en toe keken ze om zich heen, op zoek naar iets bekends. Een straatnaambord, een gebouw of zelfs een voorbijganger die hen kon helpen.
De omgeving werkte niet bepaald mee. De straten waren verlaten en er was nauwelijks beweging. Af en toe hoorden ze een auto in de verte of het zachte geritsel van de wind langs de huizen. Elk geluid leek ineens versterkt, alsof hun zintuigen scherper stonden door de spanning.
Toch bleven ze doorlopen. Stil blijven staan voelde niet als een optie. Ze besloten een richting aan te houden en hoopten uiteindelijk iets bekends tegen te komen. Dat gaf hen in ieder geval het gevoel dat ze iets deden, in plaats van vast te zitten in dezelfde situatie.
Na verloop van tijd begon er langzaam verandering te komen. In de verte zagen ze een wat drukkere straat met meer verlichting. Dat gaf direct een gevoel van opluchting. Toen ze dichterbij kwamen, herkenden ze uiteindelijk een punt dat hen bekend voorkwam. Het was geen directe route naar huis, maar wel iets waar ze zich aan konden vasthouden.
